Search | Login 
Sunday, December 17, 2017 Home > Journalistieke producties > Essay
 Essay

Buiten - Hdstk I 200.jpg

Buiten, dat moet je ontdekken: een essay in opdracht van Staatsbosbeheer. Onderwerp: kinderen en natuurbeleving. Hoofdstuk I.

Kikkers op zolder

Kikkerdril heeft een ongelooflijke aantrekkingskracht op avontuurlijke kinderen. Natuurschrijver en schilder Frans Buissink was als kleine jongen altijd buiten. En elk voorjaar werkte hij zich op dezelfde manier in de nesten. Dan smokkelde hij een jampot kikkerdril mee naar zijn zolderkamer. Tien dagen lang keek hij gefascineerd toe hoe de inhoud van de pot veranderde. Tot de geest uit de fles sprong. Letterlijk. Hij moest het spul weer kwijt, maar hoe? Ongezien langs zijn moeder glippen was er niet bij. En dus verlieten de kikkervisjes het pand via dakgoot en regenpijp. Op een paar na. Dat hebben de buren nooit begrepen: hoe kom je in ’s hemelsnaam aan kikkers in je slaapkamer?

Buissink is een van de meest productieve schrijvers over natuur, met tientallen boeken en een veelvoud aan artikelen op zijn naam. Het kikkerdrilverhaal en andere avonturen speelden zich af in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Wat is het waardoor Buissink – en zoveel van zijn generatiegenoten – voorgoed voor de natuur gewonnen zijn?
“Vroeger wàs er geen natuur,” zegt hij. “Misschien is dat de verklaring. Je had ‘binnen’ en je had ‘buiten’. Ik was net als de meeste kinderen bijna altijd buiten. Daar was je je moeder niet tot last en het was de enige plek waar je wat kon beleven. In onze straat woonde één ‘binnenblijver’; een vreemde jongen, hoor.”


Natuurlijk was er in de jaren vijftig wel natuur. Er was alleen zóveel en het was allemaal zó toegankelijk, dat het gewoon ‘buiten’ was. Frans en zijn vriendjes gingen dagelijks op de autoped van Alkmaar naar zee; acht kilometer heen, acht kilometer terug. “Aan het strand was je pas de baas van de wereld. Daar had niemand wat te zoeken, vooral niet met harde wind. Dat vonden wij juist mooi! Een vlot door de branding trekken, naar Engeland varen. Of dooie beesten langs de vloedlijn zoeken en er dan in prikken.”
Want sentimenteel waren ze niet, de buitenspelers van toen. “Het enige dat ik nooit gedaan heb, waar we ook echt voor op de vuist gingen met andere jongens, dat was kikkers opblazen. Maar ik had in de vensterbank wel een pot met zeeanemonen staan, en we prikten torren met spelden op een stuk karton. Als je de kans kreeg probeerde je of een hagedis echt zijn staart verliest als je hem grijpt. En ik heb een tijdlang ook vogelnestjes uitgehaald, ja. Je blies de eieren uit om de schalen te kunnen bewaren.”

Verzamelen, dat was heel belangrijk. Daarom raakten er kikkers op zolder en salamanders in de wastobbe. “Iedere jongen had zijn eigen schatkamer. Ik droom er nog steeds van; als ik de kans kreeg begon ik een museum-voor-alles.” Waarschijnlijk zou daarin de snotolf centraal staan. Het beeld van een opgezet exemplaar zit zó diep in Buissinks geheugen verankerd, dat hij hem letterlijk tot in detail kan uittekenen. “Het is een kogelvormige vis van misschien dertig, veertig centimeter. Maar in mijn beleving was hij wel een meter groot. Hij stond tussen tientallen andere idiote beesten op sterk water, of in vitrines. Die verzameling was van een meneer die er de scholen mee afging. Ongetwijfeld een educatief doel. Ik herinner me alleen dat hele gymzaal gevuld was en dat het diepe, diepe indruk op me heeft gemaakt. Er was een verhaal bij, maar dat ben ik vergeten. Alleen die vis, oh die vis...”

Wat Buissink zich ook niet meer kan herinneren is of hij – buiten deze jaarlijks weerkerende attractie – nog zo iets als biologieles op de lagere school kreeg. “Maar er was wel één meester die er zelf iets mee, met de natuur. Ik weet dat-ie dia’s van het Zwanewater had gemaakt en die in de klas zien. De week daarop nam-ie ons er mee naar toe. Hij liet ons ook een soort proefjes doen.”

Is dat dan waar Buissinks liefde voor de natuur begon? Hij weet wel zeker van niet, want hij heeft het noch van school meegekregen noch van thuis. Het zit in iets anders. “Bepaalde levende ervaringen, of misschien wel een ervaring met de dood.” Hij beschrijft er een met een stervende eidereend. “Je zag er op het strand wel vaker een; zo’n vogel die helemaal aan het eind was. Deze eend was te slecht om zelfs maar weg te kruipen toen ik hem benaderde. Dat sneed door mijn ziel, ik moest iets voor hem doen. Maar wat kun je? Ik heb hem opgepakt en onder mijn jas gestopt. Ik ben gaan lopen. Maar waarheen? Uiteindelijk restte me niets anders dan hem weer neer te zetten. Wat een gevoel van machteloosheid.”

Het is pure emotie. En emotie, beleving, dat is volgens deskundigen waar het om draait bij binding. Maar dat buiten van vroeger, dat wat we later natuur zijn gaan noemen, dat is er volgens Buissink bijna niet meer. “Je kunt nog steeds naar het strand, je vindt er nog steeds dode vogels, maar het is niet meer het decor van mijn jeugd. Ik betwijfel of kinderen van nu diezelfde absolute verstrengeling ervaren van vrijheid en avontuur, zoals wij dat genoten hebben.”

Toen de vijftigplussers van nu tieners waren lag voor de meesten het platteland onder handbereik. De eerste golf babyboomers was van jonge ouders. Ze woonden voor een groot deel in gloednieuwe, meest eenvoudige wederopbouw-wijken. Die lagen per definitie aan de rand van steden. Het was heel gewoon als jouw straat ophield bij een korenveld of een kersenboomgaard. Een wetering, een slordig bos of een heideveld lag dan meestal ook niet ver weg. Maar zelfs een aardappelveld kon spannend zijn; als je er genoeg Coloradokevers ving – waarvan toen een paar jaar een plaag is geweest – kon je ze voor een premie van een paar centen inleveren.

In 1954 telde Nederland ruim 10,5 miljoen inwoners. Daar waren heel veel kinderen bij; het was baybooming tijd en voorlopig zouden de aantallen alleen maar groeien. Van die 10,5 miljoen waren er 1,45 miljoen kinderen in de leeftijd van zes tot en met twaalf jaar. De groep van dertien tot en met zeventien jaar telde 1,13 miljoen jongeren. Dat zijn totaal andere verhoudingen dan vandaag de dag. Aan het begin van dit millennium tellen we ruim 16 miljoen Nederlanders, dus bijna zestig procent meer dan een halve eeuw terug. Het aantal kinderen laat zich iets lastiger vergelijken, omdat we inmiddels met andere leeftijdsgroepen werken. In de groep vijf tot en met veertien jaar zit nu bijna twee miljoen kinderen, in de groep vijftien tot en met negentien jaar zijn dat er 960.000.

Hoewel we nu drie extra jaargroepen tellen komen we voor de kinderen op zo’n 2,9 miljoen uit, tegen bijna 2,6 miljoen in 1954. Met andere woorden: het aantal kinderen is in absolute zin vrijwel gelijk aan een halve eeuw terug, maar de totale bevolking is met 60% toegenomen. Alle twintigers tot en met tachtigers leggen – vergeleken met vroeger – onevenredig veel beslag op de schaarse ruimte en de functie ervan. Voor vijftigplussers betekent dat, als het om groen gaat, fiets- en wandelpaden. Of golfterreinen. En voor iedereen samen: woonwijken, wegen, winkelcentra en werkplekken.

In een halve eeuw is het hard gegaan met de verstedelijking. Overhoekjes zijn zeldzaam geworden, en dat waren nu juist de plaatsen waar in de context van vrijheid en avontuur het eerste contact met planten en dieren plaatsvond. Het lijkt er sterk op dat in een halve eeuw tijd de vanzelfsprekende kennismaking met de natuur verdwenen is.

“Bijna alles wat ik sinds jaar en dag met de natuur heb is op een of andere manier verbonden met ervaringen uit mijn jeugd,” stelt Buissink vast. “Maar nu heb ik steeds vaker het gevoel dat ‘ze’ die natuur van me afgepakt hebben. Het is moeilijk om daar niet bitter over te worden. Want ik hoor natuurlijk zelf ook bij die ‘ze’. Met mijn auto, mijn vliegreizen, mijn consumptiepatroon.”

 



Copyright (c) 2017 René de Vos Editing